Weerloos

Milo. Je bent er. Acht maanden en acht dagen nu. Je slaapt. In de slaapkamer grenzend aan de mijne, waar het koel is en donker, op een flauw streepje zonlicht na dat door een kiertje in de luiken naar binnen valt, precies op het op het witte ledikant waarin jij ligt. Op je zij in je dunne grijze slaapzak, je mollige beentjes iets opgetrokken, je blauwwit gebreide aap in je armen geklemd, ogen lichtjes dicht, lippen iets getuit, wipneus zoals altijd iets vooruit gestoken, alsof je op het punt staat hem achterna te gaan, je wieg uit, de wereld in.

Het doet bijna pijn, zoals je erbij ligt. Alsof je je best doet om als je slaapt altijd nog net wat mooier te zijn dan anders. Nog net iets gaver, nog net iets beter gelukt. Want als je slaapt zie je je scheve lachje niet, dat ene tandje dat onderin je mond naar boven steekt of dat eenzame plukje langer haar dat zich in het kuiltje van je nek heeft verzameld, dat donker afsteekt tegen het korte blonde vachtje dat de rest van je ronde hoofd bedekt. Je vader en ik maken graag grappen over het hoofd dat je trekt als je slaapt. Doe eens je beste Miel, zeggen we, en houden je slappe slaaplijf omhoog in onze armen. Om beurten doen we je dan na, ogen dicht, neus in de lucht, lipjes getuit. En dan lachen we. Iets te lang en iets te hard. Niet omdat het grappig is, maar omdat we niet weten wat we er anders mee moeten. Met hoe gaaf je bent. Met hoe je ruikt. Hoe je wangen aanvoelen tegen onze lippen. Hoe de ronding van je vlezige kuitje precies in onze handpalm past.  Met hoe zijig het allemaal is en hoe waar. Hoe misselijkmakend groot de liefde is. Nu al. Terwijl we weten dat we pas net begonnen zijn.

We lachen omdat het allemaal te groot is om zonder de afstand van humor te kunnen verdragen. Als een zonsverduistering waarvan je de schoonheid alleen kunt bekijken met de beschermende laag van een zonnebril ertussen of in de weerspiegeling van een emmer water. Zo groot dat het je op onverwachte momenten in de nekklem neemt, je borstkas omvat, alle lucht uit je longen perst en je ademloos achterlaat, vacuüm verpakt in angst en liefde en het besef dat er misschien geen verschil is. En dus lachen we maar, naar adem happend, iets te lang en iets te hard. Om alles, maar vooral om niks. Om je slaaphoofd, je dikke kont en je scheve tandjes. We lachen omdat we weerloos zijn. En we weten het maar al te goed.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.