Jampot

Voor de test wist ik het al. De koffie die me ineens tegenstond. De vermoeidheid die me halverwege de middag onderuit schoffelde. Snijdende bh-bandjes. Ik kende het allemaal nog van de vorige keer. Onze zoon was inmiddels bijna één, we beschouwden onszelf als gevorderden. Alleen de ernstige blik van de echoscopiste, die was nieuw. De woorden waarmee ze het vonnis velde. ‘Nee. Dit is geen goede zwangerschap, mevrouw.’

We hadden ons net twee kleuters gevoeld die glimmend van trots ons schoolwerkje aan de juf toonden, maar ondermaats hadden gepresteerd.

Volgens de overlevering moet je de eerste maanden vooral een slag om de arm houden. Ook daar hadden we niet veel van terecht gebracht. Al een echo gehad, een hartslag gezien, felicitaties gekregen. De teller stond op elf weken en drie dagen. Over een paar dagen mocht de vlag uit. Niks slag, niks arm. De nep-champagne stond al koud.

Ik kreeg een folder, pillen en de opdracht om thuis te wachten tot ‘de vrucht zou worden afgestoten’. Kon zoon zolang naar opa en oma? Met twee dagen moest het wel gebeurd zijn. Ja, preventief Ibuprofen slikken was wel aan te raden.

In een stil huis wachtten we op wat maar niet kwam. Eén dag angst. Eén dag ongeduld. Dan: de onverwachte winst van een week zonder kind. Eindelijk slapen. Een Netflix-marathon met de twee banken tegen elkaar geschoven. Ons vlot in de huiskamer. Iedere avond sushi, want dat maakte nu ook niet meer uit. Een nieuwe garderobe. Ontbijten met wentelteefjes. Schoolziek. IJsvrij. Kon ons het schelen. Wie sip is, mag feest.

Zo kwam het toch nog onverwachts. Zeurende weeën. Een warme kruik. De aflevering Better Call Saul die ik maar half meekreeg. En toen die golf. De sprint naar de wc. Net op tijd gaan zitten. Een zachte plons. Twee rode hoofden boven de pot. Zachte stemmen, nerveuze lachjes. Niet met je handen, gek. Pak een pollepel dan. Roeren, zoeken en toch nog vinden. Een minimens in de palm van mijn hand. Zachtroze, aalglad en puntgaaf. Een jampot met water. Samen kijken tot we er niks meer in zagen. In de ijskast zetten. Better Call Saul dan maar weer.

Gisteren liepen we in het Amsterdamse Rembrandtpark langs de boom waaronder we het begraven hebben. In een sieradendoosje met een bloem, je moet toch wat. Het was destijds een even vrolijke als terloopse plechtigheid geweest waarbij zoon met zijn groene Hema-schep had helpen graven. Naderhand aten we een ijsje op een loeiheet Mercatorplein.

Een bedevaartsoord is het nooit geworden. De boom bleef een boom. Het leven ging door.

Toch bleven we gisteren als vanzelf even staan. Beetje lummelen, beetje kijken. Met onze voeten het gras opzij vegen. Zoeken naar de plek waar niets meer van te zien is.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.