Gebaard

Ik ben bevallen. Ik heb gebaard, geworpen, een kind uit mijn lichaam geperst. Het blijft voor mij een ongeloofwaardig gegeven. Het is gebeurd, dat weet ik. De foto’s bewijzen het. Ik heb het verhaal inmiddels wel tientallen keren verteld. Ken de versie compleet met pakkende opening, spannende wendingen en relativerende grapjes inmiddels uit m’n hoofd. Zeg het woord ‘bevalling’ en ik draai het zonder haperen voor je af.

Maar nu, zoveel maanden later, kan ik soms maar moeilijk geloven dat het over mij gaat, dat ik dát echt gedaan heb. Dat het niet alleen een verhaal is, maar dat het werkelijk is gebeurd. De pijn, het schreeuwen, het zweten en het bloed. Het grommen, het snikken en het scheuren. De verre stem van de verloskundige (‘pak hem maar aan, pak hem maar aan’). Mijn opluchting. Davids tranen. Het glibberige mensje dat ineens bestond. Beschuit met muisjes op het witte ziekenhuisdienblad en hoe dat het lekkerste was wat ik ooit at.

De rolstoel waarin ik naar de douche werd gereden. De zuster die me daar alleen liet zitten, rillend onder een te koude douche. Mijn lichaam dat niet kon stoppen met schokken. Hoe moeilijk het was om schoon te worden, door het bloed dat maar langs mijn benen bleef lopen. Het bed waarin ik door de gang werd gereden en hoe het zoveel schoner, witter en zachter leek dan het waarschijnlijk was. De kamer met David en Milo, zo vreemd nog, en het plastic wiegje waarin hij lag. De zon langs de gordijnen. De vraag of ik een boterham wilde. Hoe blij ik me voelde. Hoe schor ik was.

David die voor het raam langs ijsbeerde met de telefoon aan zijn oor. Bellend, vertellend, geruststellend. Hallo buitenwereld. Milo is geboren. Het is goed gegaan. We leven nog. De klok naast het raam die aangaf dat het één uur ’s middags was en hoe onwerkelijk me dat voorkwam.

Die ochtend, twee paar kamers verder, om zeven over negen was ik zwetend en schreeuwend moeder geworden, me vastklampend aan David, die het woeste schouwspel gadesloeg met een mengeling van verbijstering en ontzag. Een paar uur later was het geschreeuw verstomd, het bloed verdwenen en lag ik met schoongewassen haren beschuit met muisjes te eten, mijn rug in de kussens, een halfvol bekertje appelsap op het kastje naast mijn bed.

De wereld draaide, de stad ontwaakte, maar die ochtend hingen we samen stil, een bubbel van verbluft geluk. We zeiden niet veel. We deden niet veel. Keken naar de baby die blijkbaar van ons was. Aten ontbijtkoek, dronken te donkere lauwe thee. De kleuren van de kamer waren flets. De dag was nat en grijs. Maar ik kan me niet herinneren dat ik ooit tevredener ben geweest dan in die die troosteloze vleugel van dat ziekenhuis in Amsterdam Noord. 

Ik zie nog onze triomftocht naar de uitgang voor me. Mijn tintelende beurse lijf in een rolstoel, Milo in de maxi cosi op mijn schoot, bijna verdwijnend in zijn grijze pak met capuchon dat als een te grote vacht om zijn lijfje geplooid zat. De felicitaties van zusters in de gang. Onze gezichten glimmend van trots en slaap. De lift omlaag waarin ik die nacht nog dubbelgeklapt van pijn omhoog was gekomen. De taxi die voorreed. De stilte tijdens de rit over de ring. De aankomst voor ons huis. Hoe ik uitstapte, voelde dat mijn ingewanden bij elke stap uit mijn onderlijf zouden kunnen vallen en ik me blijkbaar toch drie trappen ophees. 

Het huis dat er nog precies bij lag zoals we het hadden achtergelaten. De kaarsen bij het bad, de kussens op de grond, het teiltje bij de bank. Hoe we de maxi cosi met Milo op de keukentafel zette, zonder er bij na te denken begonnen op te ruimen en twee minuten lang vergaten dat Milo bestond. Dat we even later met z’n drieëen in bed lagen en me een zin uit een lied van Jack Johnson te binnen shoot, iets over het moment dat de hele wereld in je armen past, en hoe sentimenteel maar toepasselijk dat toch maar was. 

Ik begrijp nu waarom vrouwen hun bevallingsverhaal steeds herhalen. Waarom ze het posten op Facebook, het beschrijven in tijdschriften of vertellen aan vreemden die er uit beleefheid naar vragen. Ze vertellen het niet om het kwijt te kunnen, maar om het vast te houden. Om te bevestigen, te bewaren, zwart op wit te zetten. Vast te leggen dat het bizarre buitenaardse exorsisme waar een mensenkind uit voortkwam, daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dat het meest ongelooflijke dat ze ooit beleefden, echt is gebeurd. 

Ook ik kan, ook nu nog, uit het niets de behoefte voelen om erover te praten. Om me er weer even van te vergewissen dat ik het niet heb gedroomd. Om de angst te bezweren dat er een dag komt dat ik het niet meer terug kan halen. Dus vraag ik David steeds opnieuw om te vertellen. Hoe het ook alweer ging. Wat er eerst gebeurde en wat daarna en wat daarna. Steeds opnieuw wil ik hetzelfde horen. Van het bad, de bank en de keukenvloer en de ziekenhuiskamer in het ochtendlicht. Soms pak ik de foto’s erbij en staar ernaar zo hard ik kan. Alsof ik het door te staren het onwerkelijke weer even werkelijk kan maken. Alsof ik door te staren kan zorgen dat ik het nooit vergeet. De geboorte van Milo. Het naarste en het mooiste dat ik ooit deed.

One Response to Gebaard

  1. Anoniem schreef:

    ?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.