Idyllisch

We zagen het al helemaal voor ons. De eerste reis met z’n drieën. Mijn lief, ons tien maanden oude zoontje en ik. Dit zou ‘em worden. De reis waarmee we zouden laten zien dat we nog steeds dezelfde reislustige wereldverkenners waren als voorheen. De reis die zou bewijzen dat alles nog altijd mogelijk was. The sky nog altijd the limit. De horizon nog altijd voor het grijpen. Ons vrije leven voorbij? Bitch please. Wij zouden wel even bewijzen dat je niet ineens al je vakanties anders hoeft in te richten omdat je toevallig een kind hebt gekregen. Voor ons geen midweek in een babyproof huisje ergens aan zee.

Een maand lang reizen met een Volkswagenbusje door Italië, dat moest het worden. Net zoals die fotogenieke Instagram-accounts waarop knappe mensen al roadtrippend en mijmerend bij roze zonsondergangen door de wereld trekken. Avontuurlijk, idyllisch en back to basic. Slapen in de vrije natuur. Plassen in het bos. Luiers verschonen op de achterbank. Water voor de babyflesjes handmatig opwarmen op het kleine gasfornuisje. En af en toe zo’n prachtig Italiaans stadje aandoen voor lange rumoerige avonden vol pasta en wijn, zoonlief zoet slapend in de kinderwagen. Uitdagend? Misschien. Gekkenwerk met een baby? Welnee. Gewoon een kwestie van mindset. Het zou de reis van ons leven worden.

Boy, viel dat even tegen. Al op dag twee stonden we naast ons busje stil op een bergweg vlakbij het Comomeer, halverwege een haarspeldbocht, enkeldiep in de distelige berm en van top tot teen onder de kots. Lang verhaal kort: baby’s kunnen ook wagenziek worden. En zo stonden we die avond niet op een idyllisch plekje uit te kijken over het meer – baby op schoot, wijntje in de hand en voetjes omhoog – zoals we ons hadden voorgesteld, maar zaten we gestrand op een grijs parkeerterrein zwijgend een blik tomatensoep weg te lepelen, terwijl we deden alsof we de kotslucht in de bekleding niet meer roken.

Dit bleek de eerste in een hele reeks ervaringen in de categorie ‘later lach je erom’ die we op het moment zelf toch vooral als bijzonder sfeerverlagend ervoeren. De baby die niet zijn tentje in de nok van de bus wilde slapen, zodat we hem met tentje en al aan het voeteneinde van ons bed moesten zetten en wij de toch al gebroken nachten met onze benen op de voorstoelen moesten doorbrengen. De regen, die ervoor zorgde dat we soms de hele dag de camper niet uitkonden, waar we als de baby sliep eigenlijk alleen maar muisstil op een stoel konden zitten. De vele, vele uren die we op grimmige parkeerplaatsen hebben gestaan, omdat er onderweg naar zonniger oorden nu eenmaal hapjes gegeven moesten worden, flesjes opgewarmd of luiers verschoond. 

Kortom, het mag dan fotogenieke plaatjes opleveren, zo’n campertrip met koter, maar een maand lang met twee mensen plus baby in een busje met opklapbed slapen? Dat is dus best wel pittig. Alles doen wat je dagelijks voor een baby moet doen – verschonen, wassen, eten geven –  maar dan zonder elektriciteit en stromend water? Ook best pittig. Bij thuiskomst hadden we er vier weken vakantie opzitten en we waren nog nooit zo moe geweest.

De zonnezijde: we hadden wél veel geleerd. Dat het geluid van een huilende baby best hard is in een busje van vier bij twee. Dat drie keer per dag melk opwarmen op een campinggasje vrij snel gaat vervelen. Dat een baby verschonen op de achterbank je gegarandeerd je rug kost. Kortom: niets anders dan we in elk babytijdschrift, op elke opvoedblog en in elk ouderschapsboek vooraf al hadden kunnen lezen en wat alle vrienden met kinderen ons van tevoren al hadden verteld.

Maar ja, zoveel weet ik inmiddels over het ouderschap: hoeveel goede raad je ook krijgt, hoeveel tips ze je ook geven, je gaat toch zelf het wiel uitvinden, dezelfde fouten maken en vervolgens dezelfde goedbedoelde adviezen geven aan ouders die na jou aan kinderen beginnen. En ook zij gaan er weer niet naar luisteren.

Zo kan ik nu roepen tegen iedereen die droomt van zo’n Instagram-waardige reis met een baby in een Volkswagenbusje: doe het niet! Boek dat babyproof huisje aan zee, nu het nog kan! Maar ik weet, het heeft geen zin. Dus aan iedereen die zwijmelt bij het idee van knusse busjes, blije baby’s en roze zonsondergangen: ga in vrede, koop veel koffie en neem oordoppen mee. Bij thuiskomst mogen jullie een weekje bij mij komen bijslapen.

Gebaard

Ik ben bevallen. Ik heb gebaard, geworpen, een kind uit mijn lichaam geperst. Het blijft voor mij een ongeloofwaardig gegeven. Het is gebeurd, dat weet ik. De foto’s bewijzen het. Ik heb het verhaal inmiddels wel tientallen keren verteld. Ken de versie compleet met pakkende opening, spannende wendingen en relativerende grapjes inmiddels uit m’n hoofd. Zeg het woord ‘bevalling’ en ik draai het zonder haperen voor je af.

Maar nu, zoveel maanden later, kan ik soms maar moeilijk geloven dat het over mij gaat, dat ik dát echt gedaan heb. Dat het niet alleen een verhaal is, maar dat het werkelijk is gebeurd. De pijn, het schreeuwen, het zweten en het bloed. Het grommen, het snikken en het scheuren. De verre stem van de verloskundige (‘pak hem maar aan, pak hem maar aan’). Mijn opluchting. Davids tranen. Het glibberige mensje dat ineens bestond. Beschuit met muisjes op het witte ziekenhuisdienblad en hoe dat het lekkerste was wat ik ooit at.

De rolstoel waarin ik naar de douche werd gereden. De zuster die me daar alleen liet zitten, rillend onder een te koude douche. Mijn lichaam dat niet kon stoppen met schokken. Hoe moeilijk het was om schoon te worden, door het bloed dat maar langs mijn benen bleef lopen. Het bed waarin ik door de gang werd gereden en hoe het zoveel schoner, witter en zachter leek dan het waarschijnlijk was. De kamer met David en Milo, zo vreemd nog, en het plastic wiegje waarin hij lag. De zon langs de gordijnen. De vraag of ik een boterham wilde. Hoe blij ik me voelde. Hoe schor ik was.

David die voor het raam langs ijsbeerde met de telefoon aan zijn oor. Bellend, vertellend, geruststellend. Hallo buitenwereld. Milo is geboren. Het is goed gegaan. We leven nog. De klok naast het raam die aangaf dat het één uur ’s middags was en hoe onwerkelijk me dat voorkwam.

Die ochtend, twee paar kamers verder, om zeven over negen was ik zwetend en schreeuwend moeder geworden, me vastklampend aan David, die het woeste schouwspel gadesloeg met een mengeling van verbijstering en ontzag. Een paar uur later was het geschreeuw verstomd, het bloed verdwenen en lag ik met schoongewassen haren beschuit met muisjes te eten, mijn rug in de kussens, een halfvol bekertje appelsap op het kastje naast mijn bed.

De wereld draaide, de stad ontwaakte, maar die ochtend hingen we samen stil, een bubbel van verbluft geluk. We zeiden niet veel. We deden niet veel. Keken naar de baby die blijkbaar van ons was. Aten ontbijtkoek, dronken te donkere lauwe thee. De kleuren van de kamer waren flets. De dag was nat en grijs. Maar ik kan me niet herinneren dat ik ooit tevredener ben geweest dan in die die troosteloze vleugel van dat ziekenhuis in Amsterdam Noord. 

Ik zie nog onze triomftocht naar de uitgang voor me. Mijn tintelende beurse lijf in een rolstoel, Milo in de maxi cosi op mijn schoot, bijna verdwijnend in zijn grijze pak met capuchon dat als een te grote vacht om zijn lijfje geplooid zat. De felicitaties van zusters in de gang. Onze gezichten glimmend van trots en slaap. De lift omlaag waarin ik die nacht nog dubbelgeklapt van pijn omhoog was gekomen. De taxi die voorreed. De stilte tijdens de rit over de ring. De aankomst voor ons huis. Hoe ik uitstapte, voelde dat mijn ingewanden bij elke stap uit mijn onderlijf zouden kunnen vallen en ik me blijkbaar toch drie trappen ophees. 

Het huis dat er nog precies bij lag zoals we het hadden achtergelaten. De kaarsen bij het bad, de kussens op de grond, het teiltje bij de bank. Hoe we de maxi cosi met Milo op de keukentafel zette, zonder er bij na te denken begonnen op te ruimen en twee minuten lang vergaten dat Milo bestond. Dat we even later met z’n drieëen in bed lagen en me een zin uit een lied van Jack Johnson te binnen shoot, iets over het moment dat de hele wereld in je armen past, en hoe sentimenteel maar toepasselijk dat toch maar was. 

Ik begrijp nu waarom vrouwen hun bevallingsverhaal steeds herhalen. Waarom ze het posten op Facebook, het beschrijven in tijdschriften of vertellen aan vreemden die er uit beleefheid naar vragen. Ze vertellen het niet om het kwijt te kunnen, maar om het vast te houden. Om te bevestigen, te bewaren, zwart op wit te zetten. Vast te leggen dat het bizarre buitenaardse exorsisme waar een mensenkind uit voortkwam, daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dat het meest ongelooflijke dat ze ooit beleefden, echt is gebeurd. 

Ook ik kan, ook nu nog, uit het niets de behoefte voelen om erover te praten. Om me er weer even van te vergewissen dat ik het niet heb gedroomd. Om de angst te bezweren dat er een dag komt dat ik het niet meer terug kan halen. Dus vraag ik David steeds opnieuw om te vertellen. Hoe het ook alweer ging. Wat er eerst gebeurde en wat daarna en wat daarna. Steeds opnieuw wil ik hetzelfde horen. Van het bad, de bank en de keukenvloer en de ziekenhuiskamer in het ochtendlicht. Soms pak ik de foto’s erbij en staar ernaar zo hard ik kan. Alsof ik het door te staren het onwerkelijke weer even werkelijk kan maken. Alsof ik door te staren kan zorgen dat ik het nooit vergeet. De geboorte van Milo. Het naarste en het mooiste dat ik ooit deed.

Weerloos

Milo. Je bent er. Acht maanden en acht dagen nu. Je slaapt. In de slaapkamer grenzend aan de mijne, waar het koel is en donker, op een flauw streepje zonlicht na dat door een kiertje in de luiken naar binnen valt, precies op het op het witte ledikant waarin jij ligt. Op je zij in je dunne grijze slaapzak, je mollige beentjes iets opgetrokken, je blauwwit gebreide aap in je armen geklemd, ogen lichtjes dicht, lippen iets getuit, wipneus zoals altijd iets vooruit gestoken, alsof je op het punt staat hem achterna te gaan, je wieg uit, de wereld in.

Het doet bijna pijn, zoals je erbij ligt. Alsof je je best doet om als je slaapt altijd nog net wat mooier te zijn dan anders. Nog net iets gaver, nog net iets beter gelukt. Want als je slaapt zie je je scheve lachje niet, dat ene tandje dat onderin je mond naar boven steekt of dat eenzame plukje langer haar dat zich in het kuiltje van je nek heeft verzameld, dat donker afsteekt tegen het korte blonde vachtje dat de rest van je ronde hoofd bedekt. Je vader en ik maken graag grappen over het hoofd dat je trekt als je slaapt. Doe eens je beste Miel, zeggen we, en houden je slappe slaaplijf omhoog in onze armen. Om beurten doen we je dan na, ogen dicht, neus in de lucht, lipjes getuit. En dan lachen we. Iets te lang en iets te hard. Niet omdat het grappig is, maar omdat we niet weten wat we er anders mee moeten. Met hoe gaaf je bent. Met hoe je ruikt. Hoe je wangen aanvoelen tegen onze lippen. Hoe de ronding van je vlezige kuitje precies in onze handpalm past.  Met hoe zijig het allemaal is en hoe waar. Hoe misselijkmakend groot de liefde is. Nu al. Terwijl we weten dat we pas net begonnen zijn.

We lachen omdat het allemaal te groot is om zonder de afstand van humor te kunnen verdragen. Als een zonsverduistering waarvan je de schoonheid alleen kunt bekijken met de beschermende laag van een zonnebril ertussen of in de weerspiegeling van een emmer water. Zo groot dat het je op onverwachte momenten in de nekklem neemt, je borstkas omvat, alle lucht uit je longen perst en je ademloos achterlaat, vacuüm verpakt in angst en liefde en het besef dat er misschien geen verschil is. En dus lachen we maar, naar adem happend, iets te lang en iets te hard. Om alles, maar vooral om niks. Om je slaaphoofd, je dikke kont en je scheve tandjes. We lachen omdat we weerloos zijn. En we weten het maar al te goed.